Vlaams Parlementslid

De op kinderen gerichte marketing van ongezonde voeding
: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag kwam ook aan bod bij de bespreking van de beleidsnota. De vraag was toen ook reeds ingediend. Ik heb ze behouden, omdat ik bij de bespreking geen antwoord heb gekregen op mijn vragen. Eind vorig jaar kwamen de federaties van voedingsbedrijven (Fevia), de distributie (Comeos) en de Unie van Belgische Adverteerders (UBA) met een verklaring waarin ze het belang erkennen van verantwoorde marketing naar kinderen toe. De sector zou de criteria verstrengen voor producten waarvoor bedrijven wel nog reclame mogen maken op basis van hun voedingswaarde. Concreet mogen bedrijven geen reclame meer richten op kinderen voor ijsjes, chips, frisdrank, suiker en producten op basis van suiker. Zodra het doelpubliek voor minstens 30 % bestaat uit kinderen jonger dan 13 jaar beschouwt de sector het als een kinderprogramma en kan dergelijke reclame niet langer. Dergelijk zelfregulerend initiatief kunnen wij alleen maar aanmoedigen. Het toont aan dat de sector zich meer en meer bewust wordt van de rol die hij speelt. In augustus 2022 kwam de Hoge Gezondheidsraad met een advies, dat concrete aanbevelingen bevat om de blootstelling aan reclame voor ongezonde voeding te doen dalen bij kinderen en jongeren. In het advies wordt krachtige en alomvattende overheidsregulering aanbevolen, die zowel de blootstelling van kinderen aan de marketing van ongezond voedsel als de macht van de marketing aanpakt. Wat is uw mening over het vrijwillige initiatief van de sector? Is dit initiatief adequaat? Op welke manier heeft het invloed op uw doelstelling om marketing over ongezonde voeding gericht aan kinderen te verminderen? Welke aanbevelingen uit het rapport van de Hoge Gezondheidsraad zult u overnemen? Welke niet? Waarom? Hoe past de nutriscore binnen dit verhaal?
Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Claes, ik denk dat wij daarover reeds gediscussieerd hebben. Ik ben dus niet zeker in welke mate ik dingen ga herhalen die ik reeds gezegd heb. Ik denk dat wij dit reeds hebben besproken, tenzij ik verstrooid ben. Ik sla een aantal algemene beschouwingen over met betrekking tot het belang van gezonde voeding, de rol van levensstijl, het feit dat wij sinds 2006 een voedings- en gezondheidsplan hebben om voedingsgewoontes te verbeteren en om de lichaamsbeweging van de bevolking te verhogen. Een van de strategische assen van dat voedingsplan is gericht op marketing van levensmiddelen voor kinderen en de bevolking in het algemeen. Marketing voor levensmiddelen die rijk zijn aan suiker, zout en vet is alomtegenwoordig in onze samenleving. Dat beïnvloedt ons eetgedrag, vooral dat van jongeren, zoals sterk naar voren komt uit wetenschappelijk onderzoek. Dat vraagstuk houdt de wetenschappelijke wereld ook bezig. Natuurlijk speelt mee dat de marketingmogelijkheden in de voorbije periode ook sterk zijn toegenomen door de komst van een groot aantal digitale kanalen, de toegang tot het internet, een groeiend aantal smartphones, sociale netwerken, enzovoort. Het is wel opmerkelijk dat de reclamepraktijken van bedrijven die vooral gericht zijn op kinderen bijna systematisch de consumptie aanmoedigen van gezoete frisdranken, snoep of snacks en het frequenteren van fastfoodrestaurants. Er werd geconstateerd dat tieners de voorkeur geven aan advertenties met beroemdheden boven advertenties zonder beroemdheden. Daar wordt dan ook massaal op ingezet in de marketing van junkfood en van beroemde influencers op sociale netwerken. Wat de wetgeving betreft, verwijs ik met name naar artikel 9.4 van de richtlijn 2018/1808, dat de lidstaten uitnodigt om het gebruik van coregulering en de bevordering van zelfregulering aan te moedigen door middel van gedragscodes betreffende communicatie met ongepaste audiovisuele commercials bij of opgenomen in kinderfilms, programma's met betrekking tot voedingsmiddelen of dranken die voedingsstoffen of stoffen met een nutritioneel of fysiologisch effect bevatten, waaronder vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers, waarvan de aanwezigheid in overmatige hoeveelheden in de algehele voeding niet wordt aanbevolen. Die codes zijn bedoeld om de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie met betrekking tot onze voedingsmiddelen en dranken effectief te verminderen. Zij willen er ook voor zorgen dat die audiovisuele commerciële uitingen de positieve kant van de voedingsaspecten van die voedingsmiddelen en dranken niet benadrukken. Aan de Nederlandstalige kant werd de Belgian Pledge als code gebruikt bij de omzetting van de richtlijn. Aan de Franstalige kant is de richtlijn ook omgezet, maar de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector, le Conseil supérieur de l'audiovisuel, bestudeert het formaat van de gedragscode die het wenst voor de dienstverleners, onder andere RTBF, in het kader van lopende gesprekken met verschillende stakeholders. Niks belet de betrokken autoriteiten om verder te gaan dan de maatregelen waarin werd voorzien in de Europese richtlijn en om bindende maatregelen te overwegen. Ik verwijs naar een heel interessante presentatie op een studiedag van de Hoge Gezondheidsraad en de FOD. Uit onderzoek blijkt immers dat de zelfregulering op dit moment niet ver genoeg gaat. Met name beschermt ze onze kinderen en jongeren niet voldoende. Ik heb de voedingssector gevraagd om kritisch te kijken naar de zelfregulatie en een voorstel uit te werken dat rekening houdt met het advies van de Hoge Gezondheidsraad. Ze hebben reeds enkele wijzigingen aangekondigd. Zodra het doelpubliek voor minstens 30 % bestaat uit kinderen jonger dan 13 jaar, beschouwt de sector het als een kinderprogramma en stoppen zij met reclame. Ik wil hun een kans geven om samen met ons een ernstig kader te creëren op basis van zelfregulatie om kinderen en jongeren te beschermen, maar dan moet het wel gaan om serieuze voorstellen. Wat betreft het optrekken van de grens van 12 naar 13 jaar, zoals door de sector in de media aangekondigd, zult u het met mij eens zijn dat dat een klein beetje cosmetisch is en onvoldoende. Wat ik wel een goede stap vooruit vind in wat Fevia heeft gezegd, is dat het de regels aan alle leden wil opleggen. Dat is echt belangrijk, want op die manier krijgt men een omvattende benadering die de hele sector meeneemt. Belangrijk is wel hoe men dat zal controleren, daar ben ik benieuwd naar. Een kader met afspraken is één ding, maar men moet het natuurlijk ook kunnen handhaven. Als we daar niet ver genoeg in kunnen gaan of als dat niet geloofwaardig is, moeten we verdere formele stappen zetten. Op federaal niveau hebben we nog andere dingen om over na te denken, maar u hoort dat ik wat voorzichtig ben omdat het overleg daarover nog loopt. Dat betreft bijvoorbeeld het verbieden van voedselreclame voor ongezonde voeding in openbare ruimtes, zoals bijvoorbeeld de burgemeester van Londen besloot over reclame in de metro. Het verbeteren van voedselomgevingen draagt ook gunstig bij aan het verminderen van blootstelling aan marketing voor jongeren en de algemene bevolking. Een voorbeeld is het verbieden van ongezond voedsel aan kassa's in supermarkten, zoals in het Verenigd Koninkrijk. Dat zijn zaken die we zullen bekijken met de vraag of we dit soort dingen ook opportuun vinden voor België. Ziedaar een aantal antwoorden op uw vragen. Eigenlijk is dit nog in volle evolutie.
Mieke Claes (N-VA): We delen dezelfde doelstellingen. Ik ben daar al vaak op teruggekomen. De steeds dramatischer wordende cijfers rond overgewicht en obesitas, zeker bij jongeren, moeten dringend een halt worden toegeroepen. U haalt opnieuw het Federaal Voedings- en Gezondheidsplan aan, waar we ook nog steeds op aan het wachten zijn. Dat plan zet sterk in op deze problematiek, volgens u. Ik ben benieuwd. U geeft ook aan dat de zelfregulering niet ver genoeg gaat. Er moet een voorstel komen dat rekening houdt met de adviezen van de Hoge Gezondheidsraad. Zij hebben een heel aantal aanbevelingen gedaan, waar zeker zinvolle aanbevelingen tussen zitten, maar de slinger mag ook niet doorslaan. Het moet een en-en-enverhaal zijn. Enerzijds moeten bepaalde adviezen van de Hoge Gezondheidsraad opgenomen worden, anderzijds moet worden ingezet op reclamegeletterdheid bij kinderen en jongeren. Daar hebben we het al eerder over gehad. De ouderlijke verantwoordelijkheid blijft ook nog steeds belangrijk. We hebben alle pijlers nodig in dit verhaal om hier stappen te kunnen zetten in de goede richting. Hoeveel tijd zullen we geven alvorens deze initiatieven verder geëvalueerd worden? Het is niet de bedoeling dat we over enkele jaren zien dat er nog steeds zeer weinig stappen in de goede richting gezet zijn.